intrigeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of intrigeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: intrigeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: intrigerend
Past participle - Verleden deelwoord: geïntrigeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikintrigeer
jijintrigeert
hijintrigeert
wijintrigeren
jullieintrigeren
zijintrigeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geïntrigeerd
jijhebt geïntrigeerd
hijheeft geïntrigeerd
wijhebben geïntrigeerd
julliehebben geïntrigeerd
zijhebben geïntrigeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikintrigeerde
jijintrigeerde
hijintrigeerde
wijintrigeerden
jullieintrigeerden
zijintrigeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geïntrigeerd
jijhad geïntrigeerd
hijhad geïntrigeerd
wijhadden geïntrigeerd
julliehadden geïntrigeerd
zijhadden geïntrigeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal intrigeren
jijzult intrigeren
hijzal intrigeren
wijzullen intrigeren
julliezullen intrigeren
zijzullen intrigeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geïntrigeerd hebben
jijzult geïntrigeerd hebben
hijzal geïntrigeerd hebben
wijzullen geïntrigeerd hebben
julliezullen geïntrigeerd hebben
zijzullen geïntrigeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou intrigeren
jijzou intrigeren
hijzou intrigeren
wijzouden intrigeren
julliezouden intrigeren
zijzouden intrigeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geïntrigeerd hebben
jijzou geïntrigeerd hebben
hijzou geïntrigeerd hebben
wijzouden geïntrigeerd hebben
julliezouden geïntrigeerd hebben
zijzouden geïntrigeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijintrigeer

Translations

  • intrigue, to plan
  • intrigue, to arouse interest
  • maneuver, (intransitive) to intrigue, manipulate, plot, scheme
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information