interpungeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of interpungeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: interpungeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: interpungerend
Past participle - Verleden deelwoord: geïnterpungeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikinterpungeer
jijinterpungeert
hijinterpungeert
wijinterpungeren
jullieinterpungeren
zijinterpungeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geïnterpungeerd
jijhebt geïnterpungeerd
hijheeft geïnterpungeerd
wijhebben geïnterpungeerd
julliehebben geïnterpungeerd
zijhebben geïnterpungeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikinterpungeerde
jijinterpungeerde
hijinterpungeerde
wijinterpungeerden
jullieinterpungeerden
zijinterpungeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geïnterpungeerd
jijhad geïnterpungeerd
hijhad geïnterpungeerd
wijhadden geïnterpungeerd
julliehadden geïnterpungeerd
zijhadden geïnterpungeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal interpungeren
jijzult interpungeren
hijzal interpungeren
wijzullen interpungeren
julliezullen interpungeren
zijzullen interpungeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geïnterpungeerd hebben
jijzult geïnterpungeerd hebben
hijzal geïnterpungeerd hebben
wijzullen geïnterpungeerd hebben
julliezullen geïnterpungeerd hebben
zijzullen geïnterpungeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou interpungeren
jijzou interpungeren
hijzou interpungeren
wijzouden interpungeren
julliezouden interpungeren
zijzouden interpungeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geïnterpungeerd hebben
jijzou geïnterpungeerd hebben
hijzou geïnterpungeerd hebben
wijzouden geïnterpungeerd hebben
julliezouden geïnterpungeerd hebben
zijzouden geïnterpungeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijinterpungeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information