interrumperen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of interrumperen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: interrumperen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: interrumperend
Past participle - Verleden deelwoord: geïnterrumpeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikinterrumpeer
jijinterrumpeert
hijinterrumpeert
wijinterrumperen
jullieinterrumperen
zijinterrumperen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geïnterrumpeerd
jijhebt geïnterrumpeerd
hijheeft geïnterrumpeerd
wijhebben geïnterrumpeerd
julliehebben geïnterrumpeerd
zijhebben geïnterrumpeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikinterrumpeerde
jijinterrumpeerde
hijinterrumpeerde
wijinterrumpeerden
jullieinterrumpeerden
zijinterrumpeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geïnterrumpeerd
jijhad geïnterrumpeerd
hijhad geïnterrumpeerd
wijhadden geïnterrumpeerd
julliehadden geïnterrumpeerd
zijhadden geïnterrumpeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal interrumperen
jijzult interrumperen
hijzal interrumperen
wijzullen interrumperen
julliezullen interrumperen
zijzullen interrumperen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geïnterrumpeerd hebben
jijzult geïnterrumpeerd hebben
hijzal geïnterrumpeerd hebben
wijzullen geïnterrumpeerd hebben
julliezullen geïnterrumpeerd hebben
zijzullen geïnterrumpeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou interrumperen
jijzou interrumperen
hijzou interrumperen
wijzouden interrumperen
julliezouden interrumperen
zijzouden interrumperen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geïnterrumpeerd hebben
jijzou geïnterrumpeerd hebben
hijzou geïnterrumpeerd hebben
wijzouden geïnterrumpeerd hebben
julliezouden geïnterrumpeerd hebben
zijzouden geïnterrumpeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijinterrumpeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Latin interruptus, from interrumpere (“to break apart, break to pieces, break off, interrupt”), from inter (“between”) + rumpere (“to break”).

Additional Information