huren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of huren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: huren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: hurend
Past participle - Verleden deelwoord: gehuurd

Cognates

See the 4 cognates of huren

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikhuur
jijhuurt
hijhuurt
wijhuren
julliehuren
zijhuren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gehuurd
jijhebt gehuurd
hijheeft gehuurd
wijhebben gehuurd
julliehebben gehuurd
zijhebben gehuurd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhuurde
jijhuurde
hijhuurde
wijhuurden
julliehuurden
zijhuurden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gehuurd
jijhad gehuurd
hijhad gehuurd
wijhadden gehuurd
julliehadden gehuurd
zijhadden gehuurd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal huren
jijzult huren
hijzal huren
wijzullen huren
julliezullen huren
zijzullen huren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gehuurd hebben
jijzult gehuurd hebben
hijzal gehuurd hebben
wijzullen gehuurd hebben
julliezullen gehuurd hebben
zijzullen gehuurd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou huren
jijzou huren
hijzou huren
wijzouden huren
julliezouden huren
zijzouden huren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gehuurd hebben
jijzou gehuurd hebben
hijzou gehuurd hebben
wijzouden gehuurd hebben
julliezouden gehuurd hebben
zijzouden gehuurd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijhuur

Translations

  • rent, to occupy premises in exchange for rent
  • hire, to obtain the services of in return for fixed payment
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    leasen
    pachten
    engageren
    inhuren

    Sample Sentences

    • We besloten een auto te huren voor onze vakantie. (We decided to rent a car for our vacation.)
    • Ze hebben een huis in de stad gehuurd. (They have rented a house in the city.)
    • Ik wil graag een fiets huren om de stad te verkennen. (I would like to rent a bike to explore the city.)

    Etymology

    From Middle Dutch huren, from Old Dutch *hūren, from Proto-West Germanic *hūʀijan. See: Middle Dutch 'huren'.

    Verbs referencing "huren"

    English hire.

    Additional Information