hoeven – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of hoeven

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: hoeven
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: hoevend
Past participle - Verleden deelwoord: gehoefd; gehoeven

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikhoef
jijhoeft
hijhoeft
wijhoeven
julliehoeven
zijhoeven

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gehoefd; gehoeven
jijhebt gehoefd; gehoeven
hijheeft gehoefd; gehoeven
wijhebben gehoefd; gehoeven
julliehebben gehoefd; gehoeven
zijhebben gehoefd; gehoeven

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhoefde
jijhoefde
hijhoefde
wijhoefden
julliehoefden
zijhoefden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gehoefd; gehoeven
jijhad gehoefd; gehoeven
hijhad gehoefd; gehoeven
wijhadden gehoefd; gehoeven
julliehadden gehoefd; gehoeven
zijhadden gehoefd; gehoeven

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal hoeven
jijzult hoeven
hijzal hoeven
wijzullen hoeven
julliezullen hoeven
zijzullen hoeven

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gehoefd; gehoeven hebben
jijzult gehoefd; gehoeven hebben
hijzal gehoefd; gehoeven hebben
wijzullen gehoefd; gehoeven hebben
julliezullen gehoefd; gehoeven hebben
zijzullen gehoefd; gehoeven hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou hoeven
jijzou hoeven
hijzou hoeven
wijzouden hoeven
julliezouden hoeven
zijzouden hoeven

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gehoefd; gehoeven hebben
jijzou gehoefd; gehoeven hebben
hijzou gehoefd; gehoeven hebben
wijzouden gehoefd; gehoeven hebben
julliezouden gehoefd; gehoeven hebben
zijzouden gehoefd; gehoeven hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijhoef

Verbs similar to 'hoeven'

hoeden, loeven, behoeven, beven, boeien, boeren, boeten, dieven, doeken, doelen,

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

behoren
moeten

Sample Sentences

  • Je hoeft niet ver te zoeken. (You don't have to seek far.)
  • Je hoeft het maar te vragen. (You only need to ask it.)
  • Ik hoef er maar twee. (I only need two (of them).)

Etymology

From Middle Dutch *hoeven, of uncertain origin and formation. Cognates, such as Middle Low German hö̂ven (“to require, need”) and West Frisian hoeve (“to need, want”), are attested much more sparsely, and later, than those of the prefixed forms (e.g. Dutch behoeven). It therefore appears that hoeven is a back-formation from behoeven.

Additional Information