haken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of haken

The word "haken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: haken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: hakend
Past participle - Verleden deelwoord: gehaakt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikhaak
jijhaakt
hijhaakt
wijhaken
julliehaken
zijhaken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gehaakt
jijhebt gehaakt
hijheeft gehaakt
wijhebben gehaakt
julliehebben gehaakt
zijhebben gehaakt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhaakte
jijhaakte
hijhaakte
wijhaakten
julliehaakten
zijhaakten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gehaakt
jijhad gehaakt
hijhad gehaakt
wijhadden gehaakt
julliehadden gehaakt
zijhadden gehaakt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal haken
jijzult haken
hijzal haken
wijzullen haken
julliezullen haken
zijzullen haken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gehaakt hebben
jijzult gehaakt hebben
hijzal gehaakt hebben
wijzullen gehaakt hebben
julliezullen gehaakt hebben
zijzullen gehaakt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou haken
jijzou haken
hijzou haken
wijzouden haken
julliezouden haken
zijzouden haken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gehaakt hebben
jijzou gehaakt hebben
hijzou gehaakt hebben
wijzouden gehaakt hebben
julliezouden gehaakt hebben
zijzouden gehaakt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijhaak

Verbs similar to 'haken'

Translations

  • crochet, to make needlework using a hooked needle
  • hook, to attach a hook
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch haken. Equivalent to haak + -en.

    Additional Information