grimeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of grimeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: grimeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: grimerend
Past participle - Verleden deelwoord: gegrimeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikgrimeer
jijgrimeert
hijgrimeert
wijgrimeren
julliegrimeren
zijgrimeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gegrimeerd
jijhebt gegrimeerd
hijheeft gegrimeerd
wijhebben gegrimeerd
julliehebben gegrimeerd
zijhebben gegrimeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikgrimeerde
jijgrimeerde
hijgrimeerde
wijgrimeerden
julliegrimeerden
zijgrimeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gegrimeerd
jijhad gegrimeerd
hijhad gegrimeerd
wijhadden gegrimeerd
julliehadden gegrimeerd
zijhadden gegrimeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal grimeren
jijzult grimeren
hijzal grimeren
wijzullen grimeren
julliezullen grimeren
zijzullen grimeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gegrimeerd hebben
jijzult gegrimeerd hebben
hijzal gegrimeerd hebben
wijzullen gegrimeerd hebben
julliezullen gegrimeerd hebben
zijzullen gegrimeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou grimeren
jijzou grimeren
hijzou grimeren
wijzouden grimeren
julliezouden grimeren
zijzouden grimeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gegrimeerd hebben
jijzou gegrimeerd hebben
hijzou gegrimeerd hebben
wijzouden gegrimeerd hebben
julliezouden gegrimeerd hebben
zijzouden gegrimeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijgrimeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "grimeren"

Afrikaans grimeer.

Additional Information