granuleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of granuleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: granuleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: granulerend
Past participle - Verleden deelwoord: gegranuleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikgranuleer
jijgranuleert
hijgranuleert
wijgranuleren
julliegranuleren
zijgranuleren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gegranuleerd
jijhebt gegranuleerd
hijheeft gegranuleerd
wijhebben gegranuleerd
julliehebben gegranuleerd
zijhebben gegranuleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikgranuleerde
jijgranuleerde
hijgranuleerde
wijgranuleerden
julliegranuleerden
zijgranuleerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gegranuleerd
jijhad gegranuleerd
hijhad gegranuleerd
wijhadden gegranuleerd
julliehadden gegranuleerd
zijhadden gegranuleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal granuleren
jijzult granuleren
hijzal granuleren
wijzullen granuleren
julliezullen granuleren
zijzullen granuleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gegranuleerd hebben
jijzult gegranuleerd hebben
hijzal gegranuleerd hebben
wijzullen gegranuleerd hebben
julliezullen gegranuleerd hebben
zijzullen gegranuleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou granuleren
jijzou granuleren
hijzou granuleren
wijzouden granuleren
julliezouden granuleren
zijzouden granuleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gegranuleerd hebben
jijzou gegranuleerd hebben
hijzou gegranuleerd hebben
wijzouden gegranuleerd hebben
julliezouden gegranuleerd hebben
zijzouden gegranuleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijgranuleer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information