glaceren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of glaceren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: glaceren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: glacerend
Past participle - Verleden deelwoord: geglaceerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikglaceer
jijglaceert
hijglaceert
wijglaceren
jullieglaceren
zijglaceren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geglaceerd
jijhebt geglaceerd
hijheeft geglaceerd
wijhebben geglaceerd
julliehebben geglaceerd
zijhebben geglaceerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikglaceerde
jijglaceerde
hijglaceerde
wijglaceerden
jullieglaceerden
zijglaceerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geglaceerd
jijhad geglaceerd
hijhad geglaceerd
wijhadden geglaceerd
julliehadden geglaceerd
zijhadden geglaceerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal glaceren
jijzult glaceren
hijzal glaceren
wijzullen glaceren
julliezullen glaceren
zijzullen glaceren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geglaceerd hebben
jijzult geglaceerd hebben
hijzal geglaceerd hebben
wijzullen geglaceerd hebben
julliezullen geglaceerd hebben
zijzullen geglaceerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou glaceren
jijzou glaceren
hijzou glaceren
wijzouden glaceren
julliezouden glaceren
zijzouden glaceren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geglaceerd hebben
jijzou geglaceerd hebben
hijzou geglaceerd hebben
wijzouden geglaceerd hebben
julliezouden geglaceerd hebben
zijzouden geglaceerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijglaceer

Translations

  • ice, to cover with icing
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From French glacer (to ice). See: French 'glacer'.

    Additional Information