gireren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of gireren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: gireren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: girerend
Past participle - Verleden deelwoord: gegireerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikgireer
jijgireert
hijgireert
wijgireren
julliegireren
zijgireren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gegireerd
jijhebt gegireerd
hijheeft gegireerd
wijhebben gegireerd
julliehebben gegireerd
zijhebben gegireerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikgireerde
jijgireerde
hijgireerde
wijgireerden
julliegireerden
zijgireerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gegireerd
jijhad gegireerd
hijhad gegireerd
wijhadden gegireerd
julliehadden gegireerd
zijhadden gegireerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal gireren
jijzult gireren
hijzal gireren
wijzullen gireren
julliezullen gireren
zijzullen gireren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gegireerd hebben
jijzult gegireerd hebben
hijzal gegireerd hebben
wijzullen gegireerd hebben
julliezullen gegireerd hebben
zijzullen gegireerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou gireren
jijzou gireren
hijzou gireren
wijzouden gireren
julliezouden gireren
zijzouden gireren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gegireerd hebben
jijzou gegireerd hebben
hijzou gegireerd hebben
wijzouden gegireerd hebben
julliezouden gegireerd hebben
zijzouden gegireerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijgireer

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

overmaken
overschrijven
storten
betalen, overmaken

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from Italian girare, from Latin gȳrō, from Ancient Greek. See: Italian 'girare', Latin 'gȳrō'.

Additional Information