gerieven – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of gerieven

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: gerieven
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: gerievend
Past participle - Verleden deelwoord: geriefd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikgerief
jijgerieft
hijgerieft
wijgerieven
julliegerieven
zijgerieven

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geriefd
jijhebt geriefd
hijheeft geriefd
wijhebben geriefd
julliehebben geriefd
zijhebben geriefd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikgeriefde
jijgeriefde
hijgeriefde
wijgeriefden
julliegeriefden
zijgeriefden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geriefd
jijhad geriefd
hijhad geriefd
wijhadden geriefd
julliehadden geriefd
zijhadden geriefd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal gerieven
jijzult gerieven
hijzal gerieven
wijzullen gerieven
julliezullen gerieven
zijzullen gerieven

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geriefd hebben
jijzult geriefd hebben
hijzal geriefd hebben
wijzullen geriefd hebben
julliezullen geriefd hebben
zijzullen geriefd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou gerieven
jijzou gerieven
hijzou gerieven
wijzouden gerieven
julliezouden gerieven
zijzouden gerieven

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geriefd hebben
jijzou geriefd hebben
hijzou geriefd hebben
wijzouden geriefd hebben
julliezouden geriefd hebben
zijzouden geriefd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijgerief

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

bedienen
dienen, helpen

Sample Sentences

Etymology

Additional Information