genereren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of genereren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: genereren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: genererend
Past participle - Verleden deelwoord: genereerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikgenereer
jijgenereert
hijgenereert
wijgenereren
julliegenereren
zijgenereren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb genereerd
jijhebt genereerd
hijheeft genereerd
wijhebben genereerd
julliehebben genereerd
zijhebben genereerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikgenereerde
jijgenereerde
hijgenereerde
wijgenereerden
julliegenereerden
zijgenereerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad genereerd
jijhad genereerd
hijhad genereerd
wijhadden genereerd
julliehadden genereerd
zijhadden genereerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal genereren
jijzult genereren
hijzal genereren
wijzullen genereren
julliezullen genereren
zijzullen genereren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal genereerd hebben
jijzult genereerd hebben
hijzal genereerd hebben
wijzullen genereerd hebben
julliezullen genereerd hebben
zijzullen genereerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou genereren
jijzou genereren
hijzou genereren
wijzouden genereren
julliezouden genereren
zijzouden genereren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou genereerd hebben
jijzou genereerd hebben
hijzou genereerd hebben
wijzouden genereerd hebben
julliezouden genereerd hebben
zijzouden genereerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijgenereer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch genereren, from Latin generō. See: Latin 'generō'.

Additional Information