fuseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of fuseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: fuseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: fuserend
Past participle - Verleden deelwoord: gefuseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfuseer
jijfuseert
hijfuseert
wijfuseren
julliefuseren
zijfuseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefuseerd
jijhebt gefuseerd
hijheeft gefuseerd
wijhebben gefuseerd
julliehebben gefuseerd
zijhebben gefuseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfuseerde
jijfuseerde
hijfuseerde
wijfuseerden
julliefuseerden
zijfuseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefuseerd
jijhad gefuseerd
hijhad gefuseerd
wijhadden gefuseerd
julliehadden gefuseerd
zijhadden gefuseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal fuseren
jijzult fuseren
hijzal fuseren
wijzullen fuseren
julliezullen fuseren
zijzullen fuseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefuseerd hebben
jijzult gefuseerd hebben
hijzal gefuseerd hebben
wijzullen gefuseerd hebben
julliezullen gefuseerd hebben
zijzullen gefuseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou fuseren
jijzou fuseren
hijzou fuseren
wijzouden fuseren
julliezouden fuseren
zijzouden fuseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefuseerd hebben
jijzou gefuseerd hebben
hijzou gefuseerd hebben
wijzouden gefuseerd hebben
julliezouden gefuseerd hebben
zijzouden gefuseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfuseer

Translations

  • merge, (transitive) to combine into a whole
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from French fuser. See: French 'fuser'.

    Additional Information