figureren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of figureren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: figureren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: figurerend
Past participle - Verleden deelwoord: gefigureerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfigureer
jijfigureert
hijfigureert
wijfigureren
julliefigureren
zijfigureren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefigureerd
jijhebt gefigureerd
hijheeft gefigureerd
wijhebben gefigureerd
julliehebben gefigureerd
zijhebben gefigureerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfigureerde
jijfigureerde
hijfigureerde
wijfigureerden
julliefigureerden
zijfigureerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefigureerd
jijhad gefigureerd
hijhad gefigureerd
wijhadden gefigureerd
julliehadden gefigureerd
zijhadden gefigureerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal figureren
jijzult figureren
hijzal figureren
wijzullen figureren
julliezullen figureren
zijzullen figureren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefigureerd hebben
jijzult gefigureerd hebben
hijzal gefigureerd hebben
wijzullen gefigureerd hebben
julliezullen gefigureerd hebben
zijzullen gefigureerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou figureren
jijzou figureren
hijzou figureren
wijzouden figureren
julliezouden figureren
zijzouden figureren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefigureerd hebben
jijzou gefigureerd hebben
hijzou gefigureerd hebben
wijzouden gefigureerd hebben
julliezouden gefigureerd hebben
zijzouden gefigureerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfigureer

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

acteren
spelen

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from French figurer, borrowed from Latin figurare. See: French 'figurer', Latin 'figurare'.

Additional Information