extraheren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of extraheren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: extraheren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: extraherend
Past participle - Verleden deelwoord: geëxtraheerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikextraheer
jijextraheert
hijextraheert
wijextraheren
jullieextraheren
zijextraheren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geëxtraheerd
jijhebt geëxtraheerd
hijheeft geëxtraheerd
wijhebben geëxtraheerd
julliehebben geëxtraheerd
zijhebben geëxtraheerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikextraheerde
jijextraheerde
hijextraheerde
wijextraheerden
jullieextraheerden
zijextraheerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geëxtraheerd
jijhad geëxtraheerd
hijhad geëxtraheerd
wijhadden geëxtraheerd
julliehadden geëxtraheerd
zijhadden geëxtraheerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal extraheren
jijzult extraheren
hijzal extraheren
wijzullen extraheren
julliezullen extraheren
zijzullen extraheren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geëxtraheerd hebben
jijzult geëxtraheerd hebben
hijzal geëxtraheerd hebben
wijzullen geëxtraheerd hebben
julliezullen geëxtraheerd hebben
zijzullen geëxtraheerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou extraheren
jijzou extraheren
hijzou extraheren
wijzouden extraheren
julliezouden extraheren
zijzouden extraheren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geëxtraheerd hebben
jijzou geëxtraheerd hebben
hijzou geëxtraheerd hebben
wijzouden geëxtraheerd hebben
julliezouden geëxtraheerd hebben
zijzouden geëxtraheerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijextraheer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Latin extrahō. See: Latin 'extrahō'.

Additional Information