evangeliseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of evangeliseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: evangeliseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: evangeliserend
Past participle - Verleden deelwoord: geëvangeliseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikevangeliseer
jijevangeliseert
hijevangeliseert
wijevangeliseren
jullieevangeliseren
zijevangeliseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geëvangeliseerd
jijhebt geëvangeliseerd
hijheeft geëvangeliseerd
wijhebben geëvangeliseerd
julliehebben geëvangeliseerd
zijhebben geëvangeliseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikevangeliseerde
jijevangeliseerde
hijevangeliseerde
wijevangeliseerden
jullieevangeliseerden
zijevangeliseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geëvangeliseerd
jijhad geëvangeliseerd
hijhad geëvangeliseerd
wijhadden geëvangeliseerd
julliehadden geëvangeliseerd
zijhadden geëvangeliseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal evangeliseren
jijzult evangeliseren
hijzal evangeliseren
wijzullen evangeliseren
julliezullen evangeliseren
zijzullen evangeliseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geëvangeliseerd hebben
jijzult geëvangeliseerd hebben
hijzal geëvangeliseerd hebben
wijzullen geëvangeliseerd hebben
julliezullen geëvangeliseerd hebben
zijzullen geëvangeliseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou evangeliseren
jijzou evangeliseren
hijzou evangeliseren
wijzouden evangeliseren
julliezouden evangeliseren
zijzouden evangeliseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geëvangeliseerd hebben
jijzou geëvangeliseerd hebben
hijzou geëvangeliseerd hebben
wijzouden geëvangeliseerd hebben
julliezouden geëvangeliseerd hebben
zijzouden geëvangeliseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijevangeliseer

Translations

  • evangelize, tell people about Christianity
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch ewangeliseren, from Old French evangeliser, from Late Latin ēvangelizō, from Koine Greek εὐαγγελίζω (euangelízō).

    Additional Information