emaneren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of emaneren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: emaneren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: emanerend
Past participle - Verleden deelwoord: geëmaneerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikemaneer
jijemaneert
hijemaneert
wijemaneren
jullieemaneren
zijemaneren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geëmaneerd
jijhebt geëmaneerd
hijheeft geëmaneerd
wijhebben geëmaneerd
julliehebben geëmaneerd
zijhebben geëmaneerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikemaneerde
jijemaneerde
hijemaneerde
wijemaneerden
jullieemaneerden
zijemaneerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geëmaneerd
jijhad geëmaneerd
hijhad geëmaneerd
wijhadden geëmaneerd
julliehadden geëmaneerd
zijhadden geëmaneerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal emaneren
jijzult emaneren
hijzal emaneren
wijzullen emaneren
julliezullen emaneren
zijzullen emaneren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geëmaneerd hebben
jijzult geëmaneerd hebben
hijzal geëmaneerd hebben
wijzullen geëmaneerd hebben
julliezullen geëmaneerd hebben
zijzullen geëmaneerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou emaneren
jijzou emaneren
hijzou emaneren
wijzouden emaneren
julliezouden emaneren
zijzouden emaneren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geëmaneerd hebben
jijzou geëmaneerd hebben
hijzou geëmaneerd hebben
wijzouden geëmaneerd hebben
julliezouden geëmaneerd hebben
zijzouden geëmaneerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijemaneer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information