destrueren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of destrueren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: destrueren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: destruerend
Past participle - Verleden deelwoord: gedestrueerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdestrueer
jijdestrueert
hijdestrueert
wijdestrueren
julliedestrueren
zijdestrueren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedestrueerd
jijhebt gedestrueerd
hijheeft gedestrueerd
wijhebben gedestrueerd
julliehebben gedestrueerd
zijhebben gedestrueerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdestrueerde
jijdestrueerde
hijdestrueerde
wijdestrueerden
julliedestrueerden
zijdestrueerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedestrueerd
jijhad gedestrueerd
hijhad gedestrueerd
wijhadden gedestrueerd
julliehadden gedestrueerd
zijhadden gedestrueerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal destrueren
jijzult destrueren
hijzal destrueren
wijzullen destrueren
julliezullen destrueren
zijzullen destrueren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedestrueerd hebben
jijzult gedestrueerd hebben
hijzal gedestrueerd hebben
wijzullen gedestrueerd hebben
julliezullen gedestrueerd hebben
zijzullen gedestrueerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou destrueren
jijzou destrueren
hijzou destrueren
wijzouden destrueren
julliezouden destrueren
zijzouden destrueren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedestrueerd hebben
jijzou gedestrueerd hebben
hijzou gedestrueerd hebben
wijzouden gedestrueerd hebben
julliezouden gedestrueerd hebben
zijzouden gedestrueerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdestrueer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from Latin dēstruēre. See: Latin 'destruo'.

Additional Information