obstrueren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of obstrueren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: obstrueren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: obstruerend
Past participle - Verleden deelwoord: geobstrueerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikobstrueer
jijobstrueert
hijobstrueert
wijobstrueren
jullieobstrueren
zijobstrueren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geobstrueerd
jijhebt geobstrueerd
hijheeft geobstrueerd
wijhebben geobstrueerd
julliehebben geobstrueerd
zijhebben geobstrueerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikobstrueerde
jijobstrueerde
hijobstrueerde
wijobstrueerden
jullieobstrueerden
zijobstrueerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geobstrueerd
jijhad geobstrueerd
hijhad geobstrueerd
wijhadden geobstrueerd
julliehadden geobstrueerd
zijhadden geobstrueerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal obstrueren
jijzult obstrueren
hijzal obstrueren
wijzullen obstrueren
julliezullen obstrueren
zijzullen obstrueren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geobstrueerd hebben
jijzult geobstrueerd hebben
hijzal geobstrueerd hebben
wijzullen geobstrueerd hebben
julliezullen geobstrueerd hebben
zijzullen geobstrueerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou obstrueren
jijzou obstrueren
hijzou obstrueren
wijzouden obstrueren
julliezouden obstrueren
zijzouden obstrueren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geobstrueerd hebben
jijzou geobstrueerd hebben
hijzou geobstrueerd hebben
wijzouden geobstrueerd hebben
julliezouden geobstrueerd hebben
zijzouden geobstrueerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijobstrueer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

17th century. Borrowed from Latin obstruō, obstruere and French obstruer. See: Latin 'obstruo', French 'obstruer'.

Additional Information