dejeuneren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of dejeuneren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: dejeuneren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: dejeunerend
Past participle - Verleden deelwoord: gedejeuneerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdejeuneer
jijdejeuneert
hijdejeuneert
wijdejeuneren
julliedejeuneren
zijdejeuneren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedejeuneerd
jijhebt gedejeuneerd
hijheeft gedejeuneerd
wijhebben gedejeuneerd
julliehebben gedejeuneerd
zijhebben gedejeuneerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdejeuneerde
jijdejeuneerde
hijdejeuneerde
wijdejeuneerden
julliedejeuneerden
zijdejeuneerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedejeuneerd
jijhad gedejeuneerd
hijhad gedejeuneerd
wijhadden gedejeuneerd
julliehadden gedejeuneerd
zijhadden gedejeuneerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal dejeuneren
jijzult dejeuneren
hijzal dejeuneren
wijzullen dejeuneren
julliezullen dejeuneren
zijzullen dejeuneren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedejeuneerd hebben
jijzult gedejeuneerd hebben
hijzal gedejeuneerd hebben
wijzullen gedejeuneerd hebben
julliezullen gedejeuneerd hebben
zijzullen gedejeuneerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou dejeuneren
jijzou dejeuneren
hijzou dejeuneren
wijzouden dejeuneren
julliezouden dejeuneren
zijzouden dejeuneren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedejeuneerd hebben
jijzou gedejeuneerd hebben
hijzou gedejeuneerd hebben
wijzouden gedejeuneerd hebben
julliezouden gedejeuneerd hebben
zijzouden gedejeuneerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdejeuneer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information