deflecteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of deflecteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: deflecteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: deflecterend
Past participle - Verleden deelwoord: gedeflecteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdeflecteer
jijdeflecteert
hijdeflecteert
wijdeflecteren
julliedeflecteren
zijdeflecteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedeflecteerd
jijhebt gedeflecteerd
hijheeft gedeflecteerd
wijhebben gedeflecteerd
julliehebben gedeflecteerd
zijhebben gedeflecteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdeflecteerde
jijdeflecteerde
hijdeflecteerde
wijdeflecteerden
julliedeflecteerden
zijdeflecteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedeflecteerd
jijhad gedeflecteerd
hijhad gedeflecteerd
wijhadden gedeflecteerd
julliehadden gedeflecteerd
zijhadden gedeflecteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal deflecteren
jijzult deflecteren
hijzal deflecteren
wijzullen deflecteren
julliezullen deflecteren
zijzullen deflecteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedeflecteerd hebben
jijzult gedeflecteerd hebben
hijzal gedeflecteerd hebben
wijzullen gedeflecteerd hebben
julliezullen gedeflecteerd hebben
zijzullen gedeflecteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou deflecteren
jijzou deflecteren
hijzou deflecteren
wijzouden deflecteren
julliezouden deflecteren
zijzouden deflecteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedeflecteerd hebben
jijzou gedeflecteerd hebben
hijzou gedeflecteerd hebben
wijzouden gedeflecteerd hebben
julliezouden gedeflecteerd hebben
zijzouden gedeflecteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdeflecteer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information