conjugeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of conjugeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: conjugeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: conjugerend
Past participle - Verleden deelwoord: geconjugeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikconjugeer
jijconjugeert
hijconjugeert
wijconjugeren
jullieconjugeren
zijconjugeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geconjugeerd
jijhebt geconjugeerd
hijheeft geconjugeerd
wijhebben geconjugeerd
julliehebben geconjugeerd
zijhebben geconjugeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikconjugeerde
jijconjugeerde
hijconjugeerde
wijconjugeerden
jullieconjugeerden
zijconjugeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geconjugeerd
jijhad geconjugeerd
hijhad geconjugeerd
wijhadden geconjugeerd
julliehadden geconjugeerd
zijhadden geconjugeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal conjugeren
jijzult conjugeren
hijzal conjugeren
wijzullen conjugeren
julliezullen conjugeren
zijzullen conjugeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geconjugeerd hebben
jijzult geconjugeerd hebben
hijzal geconjugeerd hebben
wijzullen geconjugeerd hebben
julliezullen geconjugeerd hebben
zijzullen geconjugeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou conjugeren
jijzou conjugeren
hijzou conjugeren
wijzouden conjugeren
julliezouden conjugeren
zijzouden conjugeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geconjugeerd hebben
jijzou geconjugeerd hebben
hijzou geconjugeerd hebben
wijzouden geconjugeerd hebben
julliezouden geconjugeerd hebben
zijzouden geconjugeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijconjugeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from French conjuguer, from Latin coniugō. See: French 'conjuguer', Latin 'coniugō'.

Additional Information