congresseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of congresseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: congresseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: congresserend
Past participle - Verleden deelwoord: gecongresseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikcongresseer
jijcongresseert
hijcongresseert
wijcongresseren
julliecongresseren
zijcongresseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gecongresseerd
jijhebt gecongresseerd
hijheeft gecongresseerd
wijhebben gecongresseerd
julliehebben gecongresseerd
zijhebben gecongresseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikcongresseerde
jijcongresseerde
hijcongresseerde
wijcongresseerden
julliecongresseerden
zijcongresseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gecongresseerd
jijhad gecongresseerd
hijhad gecongresseerd
wijhadden gecongresseerd
julliehadden gecongresseerd
zijhadden gecongresseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal congresseren
jijzult congresseren
hijzal congresseren
wijzullen congresseren
julliezullen congresseren
zijzullen congresseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gecongresseerd hebben
jijzult gecongresseerd hebben
hijzal gecongresseerd hebben
wijzullen gecongresseerd hebben
julliezullen gecongresseerd hebben
zijzullen gecongresseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou congresseren
jijzou congresseren
hijzou congresseren
wijzouden congresseren
julliezouden congresseren
zijzouden congresseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gecongresseerd hebben
jijzou gecongresseerd hebben
hijzou gecongresseerd hebben
wijzouden gecongresseerd hebben
julliezouden gecongresseerd hebben
zijzouden gecongresseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijcongresseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information