componeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of componeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: componeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: componerend
Past participle - Verleden deelwoord: gecomponeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikcomponeer
jijcomponeert
hijcomponeert
wijcomponeren
julliecomponeren
zijcomponeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gecomponeerd
jijhebt gecomponeerd
hijheeft gecomponeerd
wijhebben gecomponeerd
julliehebben gecomponeerd
zijhebben gecomponeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikcomponeerde
jijcomponeerde
hijcomponeerde
wijcomponeerden
julliecomponeerden
zijcomponeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gecomponeerd
jijhad gecomponeerd
hijhad gecomponeerd
wijhadden gecomponeerd
julliehadden gecomponeerd
zijhadden gecomponeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal componeren
jijzult componeren
hijzal componeren
wijzullen componeren
julliezullen componeren
zijzullen componeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gecomponeerd hebben
jijzult gecomponeerd hebben
hijzal gecomponeerd hebben
wijzullen gecomponeerd hebben
julliezullen gecomponeerd hebben
zijzullen gecomponeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou componeren
jijzou componeren
hijzou componeren
wijzouden componeren
julliezouden componeren
zijzouden componeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gecomponeerd hebben
jijzou gecomponeerd hebben
hijzou gecomponeerd hebben
wijzouden gecomponeerd hebben
julliezouden gecomponeerd hebben
zijzouden gecomponeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijcomponeer

Translations

  • compose, to construct by mental labor; to think up
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    samenstellen
    compileren, construeren, formeren, maken

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch componeren, borrowed from Latin compōnō. See: Latin 'compōnō'.

    Additional Information