blaken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of blaken

The word "blaken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: blaken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: blakend
Past participle - Verleden deelwoord: geblaakt

Cognates

See the 2 cognates of blaken

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikblaak
jijblaakt
hijblaakt
wijblaken
jullieblaken
zijblaken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geblaakt
jijhebt geblaakt
hijheeft geblaakt
wijhebben geblaakt
julliehebben geblaakt
zijhebben geblaakt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikblaakte
jijblaakte
hijblaakte
wijblaakten
jullieblaakten
zijblaakten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geblaakt
jijhad geblaakt
hijhad geblaakt
wijhadden geblaakt
julliehadden geblaakt
zijhadden geblaakt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal blaken
jijzult blaken
hijzal blaken
wijzullen blaken
julliezullen blaken
zijzullen blaken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geblaakt hebben
jijzult geblaakt hebben
hijzal geblaakt hebben
wijzullen geblaakt hebben
julliezullen geblaakt hebben
zijzullen geblaakt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou blaken
jijzou blaken
hijzou blaken
wijzouden blaken
julliezouden blaken
zijzouden blaken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geblaakt hebben
jijzou geblaakt hebben
hijzou geblaakt hebben
wijzouden geblaakt hebben
julliezouden geblaakt hebben
zijzouden geblaakt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijblaak

Verbs similar to 'blaken'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • in blakende gezondheid zijn (to be in perfect health)

Etymology

From Middle Dutch blāken, from Old Dutch *blakon, from Proto-West Germanic *blakōn, from Proto-Germanic *blakōną, related to *blaikaz (“white, pale”). Cognate with German Low German blaken (“to smoke”). See: Old Dutch '*blakon'.

Verbs referencing "blaken"

English black, German, old spelling blaken.

Additional Information