Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: beslapen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: beslapend
Past participle - Verleden deelwoord: beslaapt
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | beslaap |
| jij | beslaapt |
| hij | beslaapt |
| wij | beslapen |
| jullie | beslapen |
| zij | beslapen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb beslaapt |
| jij | hebt beslaapt |
| hij | heeft beslaapt |
| wij | hebben beslaapt |
| jullie | hebben beslaapt |
| zij | hebben beslaapt |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | beslaapte |
| jij | beslaapte |
| hij | beslaapte |
| wij | beslaapten |
| jullie | beslaapten |
| zij | beslaapten |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had beslaapt |
| jij | had beslaapt |
| hij | had beslaapt |
| wij | hadden beslaapt |
| jullie | hadden beslaapt |
| zij | hadden beslaapt |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal beslapen |
| jij | zult beslapen |
| hij | zal beslapen |
| wij | zullen beslapen |
| jullie | zullen beslapen |
| zij | zullen beslapen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal beslaapt hebben |
| jij | zult beslaapt hebben |
| hij | zal beslaapt hebben |
| wij | zullen beslaapt hebben |
| jullie | zullen beslaapt hebben |
| zij | zullen beslaapt hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou beslapen |
| jij | zou beslapen |
| hij | zou beslapen |
| wij | zouden beslapen |
| jullie | zouden beslapen |
| zij | zouden beslapen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou beslaapt hebben |
| jij | zou beslaapt hebben |
| hij | zou beslaapt hebben |
| wij | zouden beslaapt hebben |
| jullie | zouden beslaapt hebben |
| zij | zouden beslaapt hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'beslapen'
aanbleken,
aanhaken,
aankweken,
aanmaken,
aanpreken,
aanraken,
aansmeken,
aanstoken,
afhaken,
afkraken,
afmaken,
afpreken,
bekendmaken,
bewaken,
dichtmaken,
dopen,
gapen,
geraken,
inmaken,
inschepen, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'beslapen'
Translations
Synonyms & Antonyms
Sample Sentences
-
1794, Joseph Claude Rougemont, "Verhandeling over de gevolgen der beet van dolle dieren; over de watervrees en hare onderscheine zoorten" (tr. of vol. IX, part 1), in Verhandelingen van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, vol. IX, part 2, publ. by J. de Waal, Sz., page 87.
-
Kan een Man, die door een Dollen Hond gebeten is, en voor dat de Dolheid zig openbaart, zijne Vrouw beſlaapt, aan haar de Dolheid mededeelen? Men heeft gevallen voor en tegen. (Can a man, who has been bitten by a rabid dog and, before the rabies has become apparent, sleeps with his wife, transfer rabies to her? There are cases pro and con.)
-
Fay besliep hem niet, zoals Charlotte deed, nee, zij liet zich vermeesteren: ze legde haar lichaam daar in de hoop dat dat ook haar geest zou bevrijden. [2015, Bouke Billiet, Wij waren Trojanen. Roman, Wereldbibliotheek, →ISBN:]
-
Mim, die het bed schuin beneden mij besliep, lag met gesloten ogen op haar zij, maar ik zag aan haar fijne rimpeltjes dat ze peinsde over wat we zojuist besproken hadden. [2012, Jan van der Mast, De kleine keizer. Roman, Nieuw Amsterdam:]
-
Beduusd ging Tollens naar huis, besliep zich op de zaak, zette zich de volgende dag aan het werk, en 's avonds was hij gereed. [1972, G. W. Huygens, Hendrik Tollens. De dichter van de burgerij. Een biografie en een tijdsbeeld, Nijgh & Van Ditmar, page 254:]
Etymology
From Middle Dutch beslâpen. Equivalent to be- + slapen.
Verbs referencing "beslapen"
English
besleep.
Additional Information