begeleiden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of begeleiden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: begeleiden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: begeleidend
Past participle - Verleden deelwoord: begeleid

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbegeleid
jijbegeleidt
hijbegeleidt
wijbegeleiden
julliebegeleiden
zijbegeleiden

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb begeleid
jijhebt begeleid
hijheeft begeleid
wijhebben begeleid
julliehebben begeleid
zijhebben begeleid

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbegeleidde
jijbegeleidde
hijbegeleidde
wijbegeleidden
julliebegeleidden
zijbegeleidden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad begeleid
jijhad begeleid
hijhad begeleid
wijhadden begeleid
julliehadden begeleid
zijhadden begeleid

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal begeleiden
jijzult begeleiden
hijzal begeleiden
wijzullen begeleiden
julliezullen begeleiden
zijzullen begeleiden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal begeleid hebben
jijzult begeleid hebben
hijzal begeleid hebben
wijzullen begeleid hebben
julliezullen begeleid hebben
zijzullen begeleid hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou begeleiden
jijzou begeleiden
hijzou begeleiden
wijzouden begeleiden
julliezouden begeleiden
zijzouden begeleiden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou begeleid hebben
jijzou begeleid hebben
hijzou begeleid hebben
wijzouden begeleid hebben
julliezouden begeleid hebben
zijzouden begeleid hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbegeleid

Translations

  • accompany, to attend as a companion
  • accompany, to perform an accompanying part or parts in a composition
  • accompany, to perform an accompanying part next to another instrument
  • hand, to lead, guide, or assist with the hand
  • steer, to maneuver or manipulate a person or group into a place or course of action
  • usher, to accompany or escort
  • escort, To attend to in order to guard and protect
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    chaperonneren
    escorteren, vergezellen
    bijstaan
    coachen, opvangen

    Sample Sentences

    Etymology

    From be- + geleiden. Compare German begleiten. See: German, old spelling 'begleiten'.

    Verbs referencing "begeleiden"

    German, old spelling begleiten, Luxembourgish begleeden.

    Additional Information