bedotten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bedotten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bedotten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bedottend
Past participle - Verleden deelwoord: bedot

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbedot
jijbedot
hijbedot
wijbedotten
julliebedotten
zijbedotten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb bedot
jijhebt bedot
hijheeft bedot
wijhebben bedot
julliehebben bedot
zijhebben bedot

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbedotte
jijbedotte
hijbedotte
wijbedotten
julliebedotten
zijbedotten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad bedot
jijhad bedot
hijhad bedot
wijhadden bedot
julliehadden bedot
zijhadden bedot

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bedotten
jijzult bedotten
hijzal bedotten
wijzullen bedotten
julliezullen bedotten
zijzullen bedotten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal bedot hebben
jijzult bedot hebben
hijzal bedot hebben
wijzullen bedot hebben
julliezullen bedot hebben
zijzullen bedot hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bedotten
jijzou bedotten
hijzou bedotten
wijzouden bedotten
julliezouden bedotten
zijzouden bedotten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou bedot hebben
jijzou bedot hebben
hijzou bedot hebben
wijzouden bedot hebben
julliezouden bedot hebben
zijzouden bedot hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbedot

Translations

  • mislead, lead in a false direction
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    bedonderen
    beduvelen, beetnemen, foppen, misleiden, verlakken

    Sample Sentences

    Etymology

    1. A merger of two earlier verbs:
    2. * bedodden (“deceive”), from Middle Dutch dodden, from Proto-West Germanic *dudiʀōn or *dudirōn, frequentative form derived from Proto-Germanic *dud- (“to move, be moved”), from Proto-Indo-European *dʰew- (“to move, advance, move away, pass away”).
    3. * bedotten (“confuse”), from Middle Dutch dotten, dutten.

    Additional Information