attesteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of attesteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: attesteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: attesterend
Past participle - Verleden deelwoord: geattesteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikattesteer
jijattesteert
hijattesteert
wijattesteren
jullieattesteren
zijattesteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geattesteerd
jijhebt geattesteerd
hijheeft geattesteerd
wijhebben geattesteerd
julliehebben geattesteerd
zijhebben geattesteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikattesteerde
jijattesteerde
hijattesteerde
wijattesteerden
jullieattesteerden
zijattesteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geattesteerd
jijhad geattesteerd
hijhad geattesteerd
wijhadden geattesteerd
julliehadden geattesteerd
zijhadden geattesteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal attesteren
jijzult attesteren
hijzal attesteren
wijzullen attesteren
julliezullen attesteren
zijzullen attesteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geattesteerd hebben
jijzult geattesteerd hebben
hijzal geattesteerd hebben
wijzullen geattesteerd hebben
julliezullen geattesteerd hebben
zijzullen geattesteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou attesteren
jijzou attesteren
hijzou attesteren
wijzouden attesteren
julliezouden attesteren
zijzouden attesteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geattesteerd hebben
jijzou geattesteerd hebben
hijzou geattesteerd hebben
wijzouden geattesteerd hebben
julliezouden geattesteerd hebben
zijzouden geattesteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijattesteer

Translations

  • attest, to affirm to be correct, true, or genuine
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from Middle French attester.

    Additional Information