argumenteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of argumenteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: argumenteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: argumenterend
Past participle - Verleden deelwoord: geargumenteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikargumenteer
jijargumenteert
hijargumenteert
wijargumenteren
jullieargumenteren
zijargumenteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geargumenteerd
jijhebt geargumenteerd
hijheeft geargumenteerd
wijhebben geargumenteerd
julliehebben geargumenteerd
zijhebben geargumenteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikargumenteerde
jijargumenteerde
hijargumenteerde
wijargumenteerden
jullieargumenteerden
zijargumenteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geargumenteerd
jijhad geargumenteerd
hijhad geargumenteerd
wijhadden geargumenteerd
julliehadden geargumenteerd
zijhadden geargumenteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal argumenteren
jijzult argumenteren
hijzal argumenteren
wijzullen argumenteren
julliezullen argumenteren
zijzullen argumenteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geargumenteerd hebben
jijzult geargumenteerd hebben
hijzal geargumenteerd hebben
wijzullen geargumenteerd hebben
julliezullen geargumenteerd hebben
zijzullen geargumenteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou argumenteren
jijzou argumenteren
hijzou argumenteren
wijzouden argumenteren
julliezouden argumenteren
zijzouden argumenteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geargumenteerd hebben
jijzou geargumenteerd hebben
hijzou geargumenteerd hebben
wijzouden geargumenteerd hebben
julliezouden geargumenteerd hebben
zijzouden geargumenteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijargumenteer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from Middle French argumenter.

Additional Information