parlementeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of parlementeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: parlementeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: parlementerend
Past participle - Verleden deelwoord: geparlementeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikparlementeer
jijparlementeert
hijparlementeert
wijparlementeren
jullieparlementeren
zijparlementeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geparlementeerd
jijhebt geparlementeerd
hijheeft geparlementeerd
wijhebben geparlementeerd
julliehebben geparlementeerd
zijhebben geparlementeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikparlementeerde
jijparlementeerde
hijparlementeerde
wijparlementeerden
jullieparlementeerden
zijparlementeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geparlementeerd
jijhad geparlementeerd
hijhad geparlementeerd
wijhadden geparlementeerd
julliehadden geparlementeerd
zijhadden geparlementeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal parlementeren
jijzult parlementeren
hijzal parlementeren
wijzullen parlementeren
julliezullen parlementeren
zijzullen parlementeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geparlementeerd hebben
jijzult geparlementeerd hebben
hijzal geparlementeerd hebben
wijzullen geparlementeerd hebben
julliezullen geparlementeerd hebben
zijzullen geparlementeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou parlementeren
jijzou parlementeren
hijzou parlementeren
wijzouden parlementeren
julliezouden parlementeren
zijzouden parlementeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geparlementeerd hebben
jijzou geparlementeerd hebben
hijzou geparlementeerd hebben
wijzouden geparlementeerd hebben
julliezouden geparlementeerd hebben
zijzouden geparlementeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijparlementeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information