antidateren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of antidateren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: antidateren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: antidaterend
Past participle - Verleden deelwoord: geantidateerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikantidateer
jijantidateert
hijantidateert
wijantidateren
jullieantidateren
zijantidateren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geantidateerd
jijhebt geantidateerd
hijheeft geantidateerd
wijhebben geantidateerd
julliehebben geantidateerd
zijhebben geantidateerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikantidateerde
jijantidateerde
hijantidateerde
wijantidateerden
jullieantidateerden
zijantidateerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geantidateerd
jijhad geantidateerd
hijhad geantidateerd
wijhadden geantidateerd
julliehadden geantidateerd
zijhadden geantidateerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal antidateren
jijzult antidateren
hijzal antidateren
wijzullen antidateren
julliezullen antidateren
zijzullen antidateren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geantidateerd hebben
jijzult geantidateerd hebben
hijzal geantidateerd hebben
wijzullen geantidateerd hebben
julliezullen geantidateerd hebben
zijzullen geantidateerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou antidateren
jijzou antidateren
hijzou antidateren
wijzouden antidateren
julliezouden antidateren
zijzouden antidateren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geantidateerd hebben
jijzou geantidateerd hebben
hijzou geantidateerd hebben
wijzouden geantidateerd hebben
julliezouden geantidateerd hebben
zijzouden geantidateerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijantidateer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information