ageren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of ageren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: ageren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: agerend
Past participle - Verleden deelwoord: geageerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikageer
jijageert
hijageert
wijageren
jullieageren
zijageren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geageerd
jijhebt geageerd
hijheeft geageerd
wijhebben geageerd
julliehebben geageerd
zijhebben geageerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikageerde
jijageerde
hijageerde
wijageerden
jullieageerden
zijageerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geageerd
jijhad geageerd
hijhad geageerd
wijhadden geageerd
julliehadden geageerd
zijhadden geageerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal ageren
jijzult ageren
hijzal ageren
wijzullen ageren
julliezullen ageren
zijzullen ageren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geageerd hebben
jijzult geageerd hebben
hijzal geageerd hebben
wijzullen geageerd hebben
julliezullen geageerd hebben
zijzullen geageerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou ageren
jijzou ageren
hijzou ageren
wijzouden ageren
julliezouden ageren
zijzouden ageren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geageerd hebben
jijzou geageerd hebben
hijzou geageerd hebben
wijzouden geageerd hebben
julliezouden geageerd hebben
zijzouden geageerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijageer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch ageren, from Latin agō. See: Latin 'agō'.

Additional Information