affronteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of affronteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: affronteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: affronterend
Past participle - Verleden deelwoord: afgefronteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfronteer af
jijfronteert af
hijfronteert af
wijfronteren af
julliefronteren af
zijfronteren af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgefronteerd
jijhebt afgefronteerd
hijheeft afgefronteerd
wijhebben afgefronteerd
julliehebben afgefronteerd
zijhebben afgefronteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfronteerde af
jijfronteerde af
hijfronteerde af
wijfronteerden af
julliefronteerden af
zijfronteerden af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgefronteerd
jijhad afgefronteerd
hijhad afgefronteerd
wijhadden afgefronteerd
julliehadden afgefronteerd
zijhadden afgefronteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal affronteren
jijzult affronteren
hijzal affronteren
wijzullen affronteren
julliezullen affronteren
zijzullen affronteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgefronteerd hebben
jijzult afgefronteerd hebben
hijzal afgefronteerd hebben
wijzullen afgefronteerd hebben
julliezullen afgefronteerd hebben
zijzullen afgefronteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou affronteren
jijzou affronteren
hijzou affronteren
wijzouden affronteren
julliezouden affronteren
zijzouden affronteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgefronteerd hebben
jijzou afgefronteerd hebben
hijzou afgefronteerd hebben
wijzouden afgefronteerd hebben
julliezouden afgefronteerd hebben
zijzouden afgefronteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfronteer af

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information