afchecken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afchecken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afchecken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afcheckend
Past participle - Verleden deelwoord: afgecheckt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikcheck af
jijcheckt af
hijcheckt af
wijchecken af
julliechecken af
zijchecken af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgecheckt
jijhebt afgecheckt
hijheeft afgecheckt
wijhebben afgecheckt
julliehebben afgecheckt
zijhebben afgecheckt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikcheckte af
jijcheckte af
hijcheckte af
wijcheckten af
julliecheckten af
zijcheckten af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgecheckt
jijhad afgecheckt
hijhad afgecheckt
wijhadden afgecheckt
julliehadden afgecheckt
zijhadden afgecheckt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afchecken
jijzult afchecken
hijzal afchecken
wijzullen afchecken
julliezullen afchecken
zijzullen afchecken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgecheckt hebben
jijzult afgecheckt hebben
hijzal afgecheckt hebben
wijzullen afgecheckt hebben
julliezullen afgecheckt hebben
zijzullen afgecheckt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afchecken
jijzou afchecken
hijzou afchecken
wijzouden afchecken
julliezouden afchecken
zijzouden afchecken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgecheckt hebben
jijzou afgecheckt hebben
hijzou afgecheckt hebben
wijzouden afgecheckt hebben
julliezouden afgecheckt hebben
zijzouden afgecheckt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijcheck af

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information