afbuigen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afbuigen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afbuigen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afbuigend
Past participle - Verleden deelwoord: afgebogen

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbuig af
jijbuigt af
hijbuigt af
wijbuigen af
julliebuigen af
zijbuigen af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgebogen
jijhebt afgebogen
hijheeft afgebogen
wijhebben afgebogen
julliehebben afgebogen
zijhebben afgebogen

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikboog af
jijboog af
hijboog af
wijbogen af
julliebogen af
zijbogen af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgebogen
jijhad afgebogen
hijhad afgebogen
wijhadden afgebogen
julliehadden afgebogen
zijhadden afgebogen

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afbuigen
jijzult afbuigen
hijzal afbuigen
wijzullen afbuigen
julliezullen afbuigen
zijzullen afbuigen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgebogen hebben
jijzult afgebogen hebben
hijzal afgebogen hebben
wijzullen afgebogen hebben
julliezullen afgebogen hebben
zijzullen afgebogen hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afbuigen
jijzou afbuigen
hijzou afbuigen
wijzouden afbuigen
julliezouden afbuigen
zijzouden afbuigen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgebogen hebben
jijzou afgebogen hebben
hijzou afgebogen hebben
wijzouden afgebogen hebben
julliezouden afgebogen hebben
zijzouden afgebogen hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbuig af

Translations

  • bend, to change direction
  • curve, bend or turn gradually from a given direction
  • refract, to change direction
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From af + buigen.

    Additional Information