Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: aanzien
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aanziend
Past participle - Verleden deelwoord: aangezien
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | zie aan |
| jij | ziet aan |
| hij | ziet aan |
| wij | zien aan |
| jullie | zien aan |
| zij | zien aan |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb aangezien |
| jij | hebt aangezien |
| hij | heeft aangezien |
| wij | hebben aangezien |
| jullie | hebben aangezien |
| zij | hebben aangezien |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | zag aan |
| jij | zag aan |
| hij | zag aan |
| wij | zagen aan |
| jullie | zagen aan |
| zij | zagen aan |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had aangezien |
| jij | had aangezien |
| hij | had aangezien |
| wij | hadden aangezien |
| jullie | hadden aangezien |
| zij | hadden aangezien |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal aanzien |
| jij | zult aanzien |
| hij | zal aanzien |
| wij | zullen aanzien |
| jullie | zullen aanzien |
| zij | zullen aanzien |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal aangezien hebben |
| jij | zult aangezien hebben |
| hij | zal aangezien hebben |
| wij | zullen aangezien hebben |
| jullie | zullen aangezien hebben |
| zij | zullen aangezien hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou aanzien |
| jij | zou aanzien |
| hij | zou aanzien |
| wij | zouden aanzien |
| jullie | zouden aanzien |
| zij | zouden aanzien |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou aangezien hebben |
| jij | zou aangezien hebben |
| hij | zou aangezien hebben |
| wij | zouden aangezien hebben |
| jullie | zouden aangezien hebben |
| zij | zouden aangezien hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'aanzien'
aanzien,
achteromzien,
afzien,
bezien,
doorzien,
herzien,
inzien,
nazien,
opzien,
overzien,
uitzien,
voorzien,
weerzien,
zien,
Verbs similar to 'aanzien'
aaien,
aandoen,
aanzaaien,
aanzagen,
aanzitten,
afzien,
inzien,
nazien,
aanberen,
aanbidden,
Translations
Sample Sentences
-
[...] verward en buiten mij zelven naar huis terug; zonder dat ik, gelijk men zegt, den grond onder mijne voeten voelde, terwijl ik bij elke schrede omzag, en iederen geknotten boomstam voor een mensch aanzag. Het is niet te beschrijven, wat ik mij niet al verbeeldde, en welke uitsporige denkbeelden niet al bij mij opkwamen.
(Robinson Crusoe)
-
[...] naar toe kunnen gaan. Ik bedacht, dat ik geenszins zeker was, welken weg ik gegaan was, en dat als het zoo was, ik even zot was geweest, als die dwazen, die hun eigen schaduw voor een spook of geest aanzien en daarvoor vreezen.
(Robinson Crusoe)
-
[...] mij en den ergsten dood geweest was, dien namelijk, van in de handen van menschenetende wilden te vallen, die mij zouden beschouwd hebben met hetzelfde oog, waarmede ik een geitje of schildpad aanzag, en even weinig zwarigheid er in zouden gevonden hebben, mij te slagten en op te eten, als ik een duif of een wulp. Ik zou de waarheid te kort doen als ik niet zeide, dat ik opregt dankbaar was aan [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] en laten hem den weg vrij; want hij is zeer trotsch en zou voor geen prins uit den weg gaan; het best is een anderen weg heen te zien en bedaard voort te gaan, want zoo men stilstaat en hem stijf aanziet, wil hij dit wel eens als eene beleediging opnemen. Zoo men hem echter met iets gooit, dat hem raakt, al ware het maar een takje zoo dun als een pink, dan wordt hij boos, en laat alles staan om [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch aensien, equivalent to aan + zien. Cognate with German Low German ansehn, German ansehen, Middle English onsēn. See: German, old spelling '
ansehen'.
Additional Information