afzien – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afzien

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afzien
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afziend
Past participle - Verleden deelwoord: afgezien

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzie af
jijziet af
hijziet af
wijzien af
julliezien af
zijzien af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgezien
jijhebt afgezien
hijheeft afgezien
wijhebben afgezien
julliehebben afgezien
zijhebben afgezien

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzag af
jijzag af
hijzag af
wijzagen af
julliezagen af
zijzagen af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgezien
jijhad afgezien
hijhad afgezien
wijhadden afgezien
julliehadden afgezien
zijhadden afgezien

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afzien
jijzult afzien
hijzal afzien
wijzullen afzien
julliezullen afzien
zijzullen afzien

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgezien hebben
jijzult afgezien hebben
hijzal afgezien hebben
wijzullen afgezien hebben
julliezullen afgezien hebben
zijzullen afgezien hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afzien
jijzou afzien
hijzou afzien
wijzouden afzien
julliezouden afzien
zijzouden afzien

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgezien hebben
jijzou afgezien hebben
hijzou afgezien hebben
wijzouden afgezien hebben
julliezouden afgezien hebben
zijzouden afgezien hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzie af

Translations

  • abandon, to no longer exercise a right, relinquish a claim to property
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From af + zien.

    Additional Information