aanzeggen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aanzeggen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aanzeggen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aanzeggend
Past participle - Verleden deelwoord: aangezegd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzeg aan
jijzegt aan
hijzegt aan
wijzeggen aan
julliezeggen aan
zijzeggen aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aangezegd
jijhebt aangezegd
hijheeft aangezegd
wijhebben aangezegd
julliehebben aangezegd
zijhebben aangezegd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzei aan; zegde aan
jijzei aan; zegde aan
hijzei aan; zegde aan
wijzeien aan; zegden aan
julliezeien aan; zegden aan
zijzeien aan; zegden aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aangezegd
jijhad aangezegd
hijhad aangezegd
wijhadden aangezegd
julliehadden aangezegd
zijhadden aangezegd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aanzeggen
jijzult aanzeggen
hijzal aanzeggen
wijzullen aanzeggen
julliezullen aanzeggen
zijzullen aanzeggen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aangezegd hebben
jijzult aangezegd hebben
hijzal aangezegd hebben
wijzullen aangezegd hebben
julliezullen aangezegd hebben
zijzullen aangezegd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aanzeggen
jijzou aanzeggen
hijzou aanzeggen
wijzouden aanzeggen
julliezouden aanzeggen
zijzouden aanzeggen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aangezegd hebben
jijzou aangezegd hebben
hijzou aangezegd hebben
wijzouden aangezegd hebben
julliezouden aangezegd hebben
zijzouden aangezegd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzeg aan

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

aankondigen
bekendmaken, berichten, meedelen

Sample Sentences

Etymology

From aan + zeggen.

Additional Information