aanwenden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aanwenden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aanwenden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aanwendend
Past participle - Verleden deelwoord: aangewend

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikwend aan
jijwendt aan
hijwendt aan
wijwenden aan
julliewenden aan
zijwenden aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aangewend
jijhebt aangewend
hijheeft aangewend
wijhebben aangewend
julliehebben aangewend
zijhebben aangewend

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikwendde aan
jijwendde aan
hijwendde aan
wijwendden aan
julliewendden aan
zijwendden aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aangewend
jijhad aangewend
hijhad aangewend
wijhadden aangewend
julliehadden aangewend
zijhadden aangewend

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aanwenden
jijzult aanwenden
hijzal aanwenden
wijzullen aanwenden
julliezullen aanwenden
zijzullen aanwenden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aangewend hebben
jijzult aangewend hebben
hijzal aangewend hebben
wijzullen aangewend hebben
julliezullen aangewend hebben
zijzullen aangewend hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aanwenden
jijzou aanwenden
hijzou aanwenden
wijzouden aanwenden
julliezouden aanwenden
zijzouden aanwenden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aangewend hebben
jijzou aangewend hebben
hijzou aangewend hebben
wijzouden aangewend hebben
julliezouden aangewend hebben
zijzouden aangewend hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijwend aan

Translations

  • use, employ, apply
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    gebruiken
    toepassen

    Sample Sentences

    Etymology

    From aan + wenden.

    Additional Information