aanleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aanleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aanleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aanlerend
Past participle - Verleden deelwoord: aangeleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikleer aan
jijleert aan
hijleert aan
wijleren aan
jullieleren aan
zijleren aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aangeleerd
jijhebt aangeleerd
hijheeft aangeleerd
wijhebben aangeleerd
julliehebben aangeleerd
zijhebben aangeleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikleerde aan
jijleerde aan
hijleerde aan
wijleerden aan
jullieleerden aan
zijleerden aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aangeleerd
jijhad aangeleerd
hijhad aangeleerd
wijhadden aangeleerd
julliehadden aangeleerd
zijhadden aangeleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aanleren
jijzult aanleren
hijzal aanleren
wijzullen aanleren
julliezullen aanleren
zijzullen aanleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aangeleerd hebben
jijzult aangeleerd hebben
hijzal aangeleerd hebben
wijzullen aangeleerd hebben
julliezullen aangeleerd hebben
zijzullen aangeleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aanleren
jijzou aanleren
hijzou aanleren
wijzouden aanleren
julliezouden aanleren
zijzouden aanleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aangeleerd hebben
jijzou aangeleerd hebben
hijzou aangeleerd hebben
wijzouden aangeleerd hebben
julliezouden aangeleerd hebben
zijzouden aangeleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijleer aan

Translations

  • teach, to pass on knowledge
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • [...] papegaai op den top van de heining zitten; en nu wist ik dadelijk dat hij tegen mij gesproken had, want ik had hem geleerd zulke beklagende woorden tegen mij te spreken, en hij had dit zoo volkomen aangeleerd, dat hij dikwijls een uur lang op mijne hand zat, met zijn bek vlak tegen mijn gelaat aan, roepende: " arme Robinson Crusoe ! Waar zijt gij ? Waar zijt gij geweest ? Hoe komt gij hier ? " (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From aan + leren.

    Additional Information