aanleiden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aanleiden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aanleiden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aanleidend
Past participle - Verleden deelwoord: aangeleid

Cognates

See the 2 cognates of aanleiden

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikleid aan
jijleidt aan
hijleidt aan
wijleiden aan
jullieleiden aan
zijleiden aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aangeleid
jijhebt aangeleid
hijheeft aangeleid
wijhebben aangeleid
julliehebben aangeleid
zijhebben aangeleid

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikleidde aan
jijleidde aan
hijleidde aan
wijleidden aan
jullieleidden aan
zijleidden aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aangeleid
jijhad aangeleid
hijhad aangeleid
wijhadden aangeleid
julliehadden aangeleid
zijhadden aangeleid

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aanleiden
jijzult aanleiden
hijzal aanleiden
wijzullen aanleiden
julliezullen aanleiden
zijzullen aanleiden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aangeleid hebben
jijzult aangeleid hebben
hijzal aangeleid hebben
wijzullen aangeleid hebben
julliezullen aangeleid hebben
zijzullen aangeleid hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aanleiden
jijzou aanleiden
hijzou aanleiden
wijzouden aanleiden
julliezouden aanleiden
zijzouden aanleiden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aangeleid hebben
jijzou aangeleid hebben
hijzou aangeleid hebben
wijzouden aangeleid hebben
julliezouden aangeleid hebben
zijzouden aangeleid hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijleid aan

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "aanleiden"

German, old spelling anleiten, English onlead.

Additional Information