aankopen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aankopen

The word "aankopen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aankopen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aankopend
Past participle - Verleden deelwoord: aangekoopt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkoop aan
jijkoopt aan
hijkoopt aan
wijkopen aan
julliekopen aan
zijkopen aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aangekoopt
jijhebt aangekoopt
hijheeft aangekoopt
wijhebben aangekoopt
julliehebben aangekoopt
zijhebben aangekoopt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkoopte aan
jijkoopte aan
hijkoopte aan
wijkoopten aan
julliekoopten aan
zijkoopten aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aangekoopt
jijhad aangekoopt
hijhad aangekoopt
wijhadden aangekoopt
julliehadden aangekoopt
zijhadden aangekoopt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aankopen
jijzult aankopen
hijzal aankopen
wijzullen aankopen
julliezullen aankopen
zijzullen aankopen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aangekoopt hebben
jijzult aangekoopt hebben
hijzal aangekoopt hebben
wijzullen aangekoopt hebben
julliezullen aangekoopt hebben
zijzullen aangekoopt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aankopen
jijzou aankopen
hijzou aankopen
wijzouden aankopen
julliezouden aankopen
zijzouden aankopen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aangekoopt hebben
jijzou aangekoopt hebben
hijzou aangekoopt hebben
wijzouden aangekoopt hebben
julliezouden aangekoopt hebben
zijzouden aangekoopt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkoop aan

Verbs similar to 'aankopen'

Translations

  • buy, to obtain something with money
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From aan + kopen.

    Additional Information