aanfokken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aanfokken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aanfokken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aanfokkend
Past participle - Verleden deelwoord: aangefokt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfok aan
jijfokt aan
hijfokt aan
wijfokken aan
julliefokken aan
zijfokken aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aangefokt
jijhebt aangefokt
hijheeft aangefokt
wijhebben aangefokt
julliehebben aangefokt
zijhebben aangefokt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfokte aan
jijfokte aan
hijfokte aan
wijfokten aan
julliefokten aan
zijfokten aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aangefokt
jijhad aangefokt
hijhad aangefokt
wijhadden aangefokt
julliehadden aangefokt
zijhadden aangefokt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aanfokken
jijzult aanfokken
hijzal aanfokken
wijzullen aanfokken
julliezullen aanfokken
zijzullen aanfokken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aangefokt hebben
jijzult aangefokt hebben
hijzal aangefokt hebben
wijzullen aangefokt hebben
julliezullen aangefokt hebben
zijzullen aangefokt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aanfokken
jijzou aanfokken
hijzou aanfokken
wijzouden aanfokken
julliezouden aanfokken
zijzouden aanfokken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aangefokt hebben
jijzou aangefokt hebben
hijzou aangefokt hebben
wijzouden aangefokt hebben
julliezouden aangefokt hebben
zijzouden aangefokt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfok aan

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • Hieruit ziet men, dat ik niet ledig was, en geene moeite spaarde voor hetgeen tot mijn onderhoud noodig was, want ik begreep, dat het aanfokken van tamme dieren, voor mij een levend magazijn van vleesch, melk, boter en kaas zou zijn, al moest ik hier ook nog veertig jaren leven. Dit hing echter geheel af van de sterkte der omheining, die ik [...] (Robinson Crusoe)

Etymology

Additional Information