vibreren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of vibreren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: vibreren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: vibrerend
Past participle - Verleden deelwoord: gevibreerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvibreer
jijvibreert
hijvibreert
wijvibreren
jullievibreren
zijvibreren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gevibreerd
jijhebt gevibreerd
hijheeft gevibreerd
wijhebben gevibreerd
julliehebben gevibreerd
zijhebben gevibreerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvibreerde
jijvibreerde
hijvibreerde
wijvibreerden
jullievibreerden
zijvibreerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gevibreerd
jijhad gevibreerd
hijhad gevibreerd
wijhadden gevibreerd
julliehadden gevibreerd
zijhadden gevibreerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal vibreren
jijzult vibreren
hijzal vibreren
wijzullen vibreren
julliezullen vibreren
zijzullen vibreren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gevibreerd hebben
jijzult gevibreerd hebben
hijzal gevibreerd hebben
wijzullen gevibreerd hebben
julliezullen gevibreerd hebben
zijzullen gevibreerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou vibreren
jijzou vibreren
hijzou vibreren
wijzouden vibreren
julliezouden vibreren
zijzouden vibreren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gevibreerd hebben
jijzou gevibreerd hebben
hijzou gevibreerd hebben
wijzouden gevibreerd hebben
julliezouden gevibreerd hebben
zijzouden gevibreerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvibreer

Translations

  • throb, to vibrate or pulsate with a steady rhythm
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information