tegenkomen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of tegenkomen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: tegenkomen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: tegenkomend
Past participle - Verleden deelwoord: tegengekomen

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkom tegen
jijkomt tegen
hijkomt tegen
wijkomen tegen
julliekomen tegen
zijkomen tegen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikben tegengekomen
jijbent tegengekomen
hijis tegengekomen
wijzijn tegengekomen
julliezijn tegengekomen
zijzijn tegengekomen

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkwam tegen
jijkwam tegen
hijkwam tegen
wijkwamen tegen
julliekwamen tegen
zijkwamen tegen

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikwas tegengekomen
jijwas tegengekomen
hijwas tegengekomen
wijwaren tegengekomen
julliewaren tegengekomen
zijwaren tegengekomen

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal tegenkomen
jijzult tegenkomen
hijzal tegenkomen
wijzullen tegenkomen
julliezullen tegenkomen
zijzullen tegenkomen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal tegengekomen zijn
jijzult tegengekomen zijn
hijzal tegengekomen zijn
wijzullen tegengekomen zijn
julliezullen tegengekomen zijn
zijzullen tegengekomen zijn

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou tegenkomen
jijzou tegenkomen
hijzou tegenkomen
wijzouden tegenkomen
julliezouden tegenkomen
zijzouden tegenkomen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou tegengekomen zijn
jijzou tegengekomen zijn
hijzou tegengekomen zijn
wijzouden tegengekomen zijn
julliezouden tegengekomen zijn
zijzouden tegengekomen zijn

Imperative - Gebiedende wijs

jijkom tegen

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

aantreffen
ontmoeten, stuiten, vinden
meemaken
treffen, zien

Sample Sentences

Etymology

From tegen + komen.

Additional Information