stationeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of stationeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: stationeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: stationerend
Past participle - Verleden deelwoord: gestationeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikstationeer
jijstationeert
hijstationeert
wijstationeren
julliestationeren
zijstationeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gestationeerd
jijhebt gestationeerd
hijheeft gestationeerd
wijhebben gestationeerd
julliehebben gestationeerd
zijhebben gestationeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstationeerde
jijstationeerde
hijstationeerde
wijstationeerden
julliestationeerden
zijstationeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gestationeerd
jijhad gestationeerd
hijhad gestationeerd
wijhadden gestationeerd
julliehadden gestationeerd
zijhadden gestationeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal stationeren
jijzult stationeren
hijzal stationeren
wijzullen stationeren
julliezullen stationeren
zijzullen stationeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gestationeerd hebben
jijzult gestationeerd hebben
hijzal gestationeerd hebben
wijzullen gestationeerd hebben
julliezullen gestationeerd hebben
zijzullen gestationeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou stationeren
jijzou stationeren
hijzou stationeren
wijzouden stationeren
julliezouden stationeren
zijzouden stationeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gestationeerd hebben
jijzou gestationeerd hebben
hijzou gestationeerd hebben
wijzouden gestationeerd hebben
julliezouden gestationeerd hebben
zijzouden gestationeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijstationeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information