souperen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of souperen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: souperen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: souperend
Past participle - Verleden deelwoord: gesoupeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksoupeer
jijsoupeert
hijsoupeert
wijsouperen
julliesouperen
zijsouperen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesoupeerd
jijhebt gesoupeerd
hijheeft gesoupeerd
wijhebben gesoupeerd
julliehebben gesoupeerd
zijhebben gesoupeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksoupeerde
jijsoupeerde
hijsoupeerde
wijsoupeerden
julliesoupeerden
zijsoupeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesoupeerd
jijhad gesoupeerd
hijhad gesoupeerd
wijhadden gesoupeerd
julliehadden gesoupeerd
zijhadden gesoupeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal souperen
jijzult souperen
hijzal souperen
wijzullen souperen
julliezullen souperen
zijzullen souperen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesoupeerd hebben
jijzult gesoupeerd hebben
hijzal gesoupeerd hebben
wijzullen gesoupeerd hebben
julliezullen gesoupeerd hebben
zijzullen gesoupeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou souperen
jijzou souperen
hijzou souperen
wijzouden souperen
julliezouden souperen
zijzouden souperen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesoupeerd hebben
jijzou gesoupeerd hebben
hijzou gesoupeerd hebben
wijzouden gesoupeerd hebben
julliezouden gesoupeerd hebben
zijzouden gesoupeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsoupeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from French souper. See: French 'souper'.

Additional Information