Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: raadplegen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: raadplegend
Past participle - Verleden deelwoord: geraadplegd
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | raadpleg |
| jij | raadplegt |
| hij | raadplegt |
| wij | raadplegen |
| jullie | raadplegen |
| zij | raadplegen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb geraadplegd |
| jij | hebt geraadplegd |
| hij | heeft geraadplegd |
| wij | hebben geraadplegd |
| jullie | hebben geraadplegd |
| zij | hebben geraadplegd |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | raadplegde |
| jij | raadplegde |
| hij | raadplegde |
| wij | raadplegden |
| jullie | raadplegden |
| zij | raadplegden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had geraadplegd |
| jij | had geraadplegd |
| hij | had geraadplegd |
| wij | hadden geraadplegd |
| jullie | hadden geraadplegd |
| zij | hadden geraadplegd |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal raadplegen |
| jij | zult raadplegen |
| hij | zal raadplegen |
| wij | zullen raadplegen |
| jullie | zullen raadplegen |
| zij | zullen raadplegen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal geraadplegd hebben |
| jij | zult geraadplegd hebben |
| hij | zal geraadplegd hebben |
| wij | zullen geraadplegd hebben |
| jullie | zullen geraadplegd hebben |
| zij | zullen geraadplegd hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou raadplegen |
| jij | zou raadplegen |
| hij | zou raadplegen |
| wij | zouden raadplegen |
| jullie | zouden raadplegen |
| zij | zouden raadplegen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou geraadplegd hebben |
| jij | zou geraadplegd hebben |
| hij | zou geraadplegd hebben |
| wij | zouden geraadplegd hebben |
| jullie | zouden geraadplegd hebben |
| zij | zouden geraadplegd hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'raadplegen'
aaien,
aanbaggeren,
aanbeteren,
aanboegen,
aanbreien,
aanbulderen,
aandraaien,
aandrentelen,
aaneenboeien,
aaneenkluisteren,
aaneenkoppelen,
aaneenlijmen,
aaneennaaien,
aaneennagelen,
aaneenschakelen,
aaneensnoeren,
aaneensolderen,
aaneenspijkeren,
aaneenvoegen,
aangieren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'raadplegen'
aanploegen,
aanbleken,
aanboegen,
aanklagen,
aankleden,
aanleggen,
aanlengen,
aanleren,
aanpreken,
aanvegen,
Translations
consult, ask advice
consult, transitive, to ask advice of; to seek the opinion of
Synonyms & Antonyms
Synonyms
- bestuderen
- naslaan
Sample Sentences
-
[...] in een schip, dat zijn vader toekwam. Hij noodigde mij uit hem te vergezellen, met de gewone drangreden van een zeeman, namelijk, dat de overtogt mij niets zou kosten. Zonder alstoen mijne ouders te raadplegen, zonder hen kennis te geven van mijn vertrek, liet ik het aan het toeval over, wanneer en op welke wijze zij hiervan berigt zouden bekomen; zonder te denken om mijns vaders zegen of dien van God te [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] hard te schreeuwen als zij konden, en daar zij, naar het schijnt, het niet durfden wagen te ver van de kust te gaan, of zich in kleine partijen te verdeelen, gingen zij onder een boom zitten om te raadplegen. Zoo zij goedgevonden hadden daar te gaan slapen, zoo als de anderen gedaan hadden, zouden zij ons ligt werk gemaakt hebben; maar zij vreesden te veel gevaar om te durven slapen, schoon zij niet [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From raad (“advice, counsel”) + plegen.
Verbs referencing "raadplegen"
Afrikaans
raadpleeg.
Additional Information