punteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of punteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: punteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: punterend
Past participle - Verleden deelwoord: gepunteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpunteer
jijpunteert
hijpunteert
wijpunteren
julliepunteren
zijpunteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepunteerd
jijhebt gepunteerd
hijheeft gepunteerd
wijhebben gepunteerd
julliehebben gepunteerd
zijhebben gepunteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpunteerde
jijpunteerde
hijpunteerde
wijpunteerden
julliepunteerden
zijpunteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepunteerd
jijhad gepunteerd
hijhad gepunteerd
wijhadden gepunteerd
julliehadden gepunteerd
zijhadden gepunteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal punteren
jijzult punteren
hijzal punteren
wijzullen punteren
julliezullen punteren
zijzullen punteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepunteerd hebben
jijzult gepunteerd hebben
hijzal gepunteerd hebben
wijzullen gepunteerd hebben
julliezullen gepunteerd hebben
zijzullen gepunteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou punteren
jijzou punteren
hijzou punteren
wijzouden punteren
julliezouden punteren
zijzouden punteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepunteerd hebben
jijzou gepunteerd hebben
hijzou gepunteerd hebben
wijzouden gepunteerd hebben
julliezouden gepunteerd hebben
zijzouden gepunteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpunteer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information